NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
  Kerkelijk Jaar
Hoofddienst   Getijden   Devotie   Uitingsvormen  

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HYMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hymnodie

Oud Joodse Hymnodie
Vroeg Christelijke Hymnodie
Griekse Hymnodie tot 900AD
Latijnse Hymnodie
Lutherse Hymnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hymnodie

Muziekgeschiedenis




Het getijdengebed in de kerken van de Reformatie in Nederland.

Uit: Protestantse Kerk in Nederland: Dienstboek 1 (een proeve. Schrift, maaltijd, gebed. Zoetermeer 1998.p.1168.vv)

Markante momenten in de geschiedenis van de getijden

In de late Middeleeuwen: Verdere ontwikkelingen tot aan de Reformatie

1. Het brevier

Om alle getijden te kunnen volbrengen is een veelheid van boeken nodig. waarin antifonen, responsies, hymnen, gebeden enzovoort zijn opgenomen. Kloosters en kathedralen hadden die boeken. Daar bestond de mogelijkheid het held 'pensum' (de hele gebedstaak) te vervullen en had men 'professionaliteit' om er de vereiste muzikale gestalte aan te geven. Buiten de muren van het klooster was dat onmogelijk. Voor de enkele priester was er dus behoefte aan een verkorte uitgave van het getijdengebed in één band: het brevier (van het Latijnse breviarium, kort overzicht, uittreksel). Want ook de priester die buiten het klooster leefde, werd geacht de getijden te bidden. Theoretisch blijft de oude structuur van de getijden in stand, maar praktisch wordt zij overwoekerd door een overmaat aan heiligendagen, waarbij de schriftlezing zing wel (eens) vervangen wordt door de heiligenlegenden.

De gemeenteleden zijn buiten spel komen te staan; het getijdengebed is een zaak van de orden en van de geestelijken geworden. Het volk beperkt zich tot de Apostolische Geloofsbelijdenis, het Onze Vader en het Ave Maria en tot het bidden van de rozenkrans.

2. De Moderne Devotie

Aan het einde van de Middeleeuwen, in de dertiende en veertiende eeuw, ontstaan her en der bewegingen die zich onttrekken aan de druk van de sociale en kerkelijke hiërarchie.

Als voorbeelden noemen we de Begijnen, een krachtige vrouwenbeweging. en de Broeders van het Gemene Leven onder leiding van Geert Groote. Tegelijkertijd treden invloedrijke mystici op als Catharina van Siëna, Julia van Norwich en Eckhart. De nadruk bij deze bewegingen en vromen ligt op de persoonlijke vroomheid. Veel mensen blijken gevoelig voor deze tendensen.

Geert Groote en zijn 'broeders des gemenen levens' (waar ook zusters bijhoren) vormen, hoewel in aantal gering, een invloedrijke beweging in de tijd van de opkomende steden en handel. De broeders en zusters vormden religieuze gemeenschappen zonder zich aan een regel te binden. Zij waren dus niet aan de geestelijkheid gebonden, maar beoogden een integratie van clerus en leken. Sterke nadruk viel op innerlijke persoonlijke vroomheid, die een protest was tegen de grote uiterlijke vroomheid van die tijd. Het bidden van de getijden nam bij de Broeders een voorname plaats in. Het getijdenboek van Geert Groote moet één van de meest gelezen Middelnederlandse boeken zijn geweest.

e. De Reformatie

De Reformatie is daarom niet zozeer een breukvlak als wel een voortzetten en doorzetten van bepaalde reeds bestaande tradities. Ook daar neemt het onophoudelijk bidden een centrale plaats in. Dit gebed kan voor de reformatoren evenwel geen zaak voor een bepaalde kerkelijke stand zijn. Men bidt als leden van Gods volk en van één lichaam, en dus participeert iedereen in dat gebed.

Ten aanzien van de vormgeving van het gebed is de Reformatie niet eenduidig, maar zij is eensgezind in haar kritiek op de wijze waarop het getijdengebed zich in de Rooms-Katholieke kerk heeft ontwikkeld. Luther wil bijvoorbeeld de getijden behouden voor de gemeente, maar gezuiverd en aangepast. Het aantal diensten wordt gereduceerd, de vaste orde vervalt, de voertaal wordt Duits. Een nieuw brevier komt er niet en in de praktijk bloedt het getijdengebed langzaam dood.

De Anglicaanse kerk houdt Morning Prayer en Evening Prayer tot op de dag van vandaag in stand.

In ons land blijven de getijdengebeden ondanks synodebesluiten die het tegendeel willen. met name in de steden nog lang na de Reformatie gehandhaafd. Ontmoedigingsbeleid van de synode van Dordrecht (1618/1619) leidt ertoe dat bijvoorbeeld in 1627 in Amsterdam het laatste avondgebed temidden van de andere diensten sneuvelt, hoewel de avondgebeden populair waren bij het volk en goed bezocht werden. Als reden wordt genoemd dat zij afbreuk deden aan de gewone woorddienst, aan de huisgebeden die de vader in zijn gezin behoorde te doen en aan de vastendagen.

De Reformatie is eensgezind in haar verzet tegen een aantal elementen.

Ten eerste oordeelt men dat de vorm van de getijden een veruiterlijking van de godsdienst in de hand werkt en ten koste van de inhoud gaat. Het volbrengen van een gebedspensum wekt de gedachte aan zelfrechtvaardiging. Ten tweede is men van menig dat de getijden worden overwoekerd door onbijbelse elementen, zoals de heiligenverering. Ten derde is het getijdengebed door een zwaar en onbegrijpelijk pensum slechts haalbaar voor de enkelen, waardoor bidden een eindeloos gemummel wordt en de kloof tussen clerus en volk steeds groeit

Deze elementen tastten de kern van het geloof aan, namelijk de onverdiende genade en de overtuiging dat Woord en sacrament de enige middelen tot heil zijn. De wijze waarop de ontaarding bestreden wordt, wisselt naar omstandigheden, de invloed van bepaalde reformatoren en de volksaard. De geschiedenis van het getijdengebed tijdens de Reformatie is daarom niet eenduidig. Enkele globale ken merken zijn wel te noemen: nadruk valt op de inhoud (het leren) en op de zorg voor werkelijke beleving van het gebed, reiniging van toegevoegde elementen en ten slotte aanpassing aan het bevattingsvermogen van de gelovigen. In de praktijk betekent dit dat gebeden op al te vaste uren worden ontmoedigd en dat de aandacht wordt verschoven van openbare gebeden naar persoonlijke. Met het oog op de inhoud schuiven uitleg en verkondiging in de gebedsdiensten de nog resteren, op de voorgrond. Ten behoeve van de 'echtheid' geeft men later de voorkeur aan het vrije gebed boven het formuliergebed. Alleen het vrije gebed is, naar men veronderstelde, door de heilige Geest geïnspireerd. De aanpassing aan de omstandigheden en het bevattingsvermogen van gelovigen geeft de voorgangers grotere vrijheid ten aanzien van tekst- en liedkeuze. De samenhangende orde in de diensten zelf en tussen de diensten onderling verdwijnt daardoor en de getijden worden nevendiensten met een onduidelijk liturgisch karakter. Daarmee is de teloorgang van het getijdengebed met een voorgegeven vorm een feit. De Reformatie ontmoedigt zodoende het getijdengebed en vervangt het door persoonlijk gebed en bijbellezing in huiselijke kring. De huisvroomheid, met het gezin als dragende factor, wordt de belangrijkste traditie naast de openbare eredienst. Daarbij zij wel aangetekend dat de openbare eredienst van Woord en gebed in met name de calvinistische kerken verwantschap vertoont met bepaalde vormen van getijdengebeden (de Morning Prayer in de Engelse kerk; de genoemde dienst van Hippolytus).

f De Nadere Reformatie

In de Nadere Reformatie verschijnen tal van boeken en traktaten die de huisvroomheid stimuleren en ondersteunen. Het gezin wordt beschouwd als kleine huisgemeente met eigen gebedsuren. Nederlandse predikanten stellen de Engelse puriteinen aan hun gemeenten ten voorbeeld. De Middelburgse predikant Willem Teelinck (1579-1629) raakte in Engeland diep onder de indruk van de family worship (de familiegodsdienst) bij de puriteinen die zich in de gevestigde kerk niet erg thuis voelden. Teelinck schreef op grond van deze ervaringen zijn Huysboeck dat in veel gezinnen een plaats kreeg.

Bijbellezing, bijbelstudie en catechese zijn belangrijke elementen in de huisdevotie. Duidelijke orden, zoals bij de getijden, treffen we nauwelijks meer aan, maar de drieslag bijbellezing, gebed en het zingen van enkele psalmverzen of een geestelijk lied geeft een zekere structuur. Onder verwijzing naar Psalm 55,18 en 141,2 en naar Daniël 6,11 komt men - alweer - tot een morgen-, middag- en avondgebed. Teelinck en anderen bepleiten ook meditatie. methodisch beoefende vroomheid, waarbij zij teruggrijpen op schrijvers uit de kring van de Moderne Devotie. A. Brakel (1635-1711) realiseert zich dat soms wel veel wordt gevraagd van de gezinnen, en dat niet ieder gezin dezelfde mogelijkheid heeft. Hij adviseert om, als er eens weinig tijd is, dan maar wat korter te bidden. Voor het Onze Vader is altijd wel gelegenheid, zegt hij, en 'daar is alles in vervat, als 't maar wel verstaan, ende van harte tot God gebeden is'.

Al met al is het goed ons te realiseren dat de huisdiensten geen onmiddellijke voortzetting van de getijdendiensten zijn.

g. Verdere ontwikkelingen

In de Rooms-katholieke kerk is het getijdengebed een gebed van de orden en van de geestelijkheid geworden. In de calvinistische traditie vervangt de huisvroomheid het getijdengebied en in de lutherse traditie is het niet anders. Rond 1800 heffen de laatste stadskerken in Duitsland de getijdendiensten uit praktische overwegingen op: er is te weinig belangstelling voor en de kosten zijn te hoog. In Engeland hebben deze praktische argumenten nooit overheerst. Morning Prayer en Evening Prayer hebben zich in de Anglicaanse kerk altijd weten te handhaven.

Pas in het midden van de negentiende eeuw treedt in de Rooms-Katholieke kerk een kentering op. De Liturgische Beweging heeft ook aandacht voor de getij den, waarin vroeg de volkstaal doordrong. Het Tweede Vaticaans Concilie wilde het getijdengebed weer teruggeven aan de gehele geloofsgemeenschap. Een nieuw Getijdenboek verscheen (Nederlandse vertaling 1990). De getijden zijn primair weer e opdracht van de plaatselijke gemeente. De Intermonasteriële werkgroep voor Liturgie verrichtte uniek vernieuwingswerk voor Nederlandstalige kloosters en abdijen.

Ook in reformatorische kringen groeit het besef dat er tijd, plaats en orde moet zijn om, in gemeenschap, ook de weekdagen te heiligen. De getijden blijken dan de geschikte vorm voor het dagelijkse gebed, gezang en schriftwoord. Het niet-ambtelijk karakter van de getijden speelt een belangrijke rol. Bovendien ontstaat er aandacht voor retraite, waarbij zeker de in 1949 gestichte communauteit van Taizé moet worden genoemd, die een belangrijke impuls heeft gegeven aan de nieuwe aandacht voor het getijdengebed. Voor broeders van Taizé is het innige verband tussen liturgische spiritualiteit en maatschappelijke betrokkenheid wezenlijk

6. De orden voor het bidden van de getijden

Het is van meet af onze bedoeling geweest een 'gebruiksboek' aan te bieden voor het bidden van de getijden. Daarom hebben wij de huidige kerkelijke praktijk, de vragen die her en der in het land gesteld worden en de gegroeide traditie van het gebed zoals wij die hierboven in hoofdlijn schetsten, alle laten meewegen bij het samenstellen van een Proeve die vorm zou kunnen geven aan de bijbelse opdracht 'zonder ophouden te bidden'. Wij zien in de geschiedenis enerzijds hoe het getijdengebed kan uitgroeien tot een vorm die de eenvoud en oprechtheid van het gebed teniet doet, anderzijds dat afschaffing van de vorm ten slotte tot het einde van een geregeld gebedsleven leidt. Wij bieden daarom een eenvoudige vorm aan.

We zijn ervan overtuigd dat wij daarmee handelen in de geest van mensen als Augustinus, Luther en Calvijn.

Wat heeft, zo vraagt Augustinus zich af, 'het woord van de apostel: "Bidt zonder ophouden" anders te betekenen dan: "Verwacht met verlangen zonder ophouden het gelukzalige leven", dat geen ander is dan het eeuwige leven, van Hem die als enige het kan geven? Laten we dit dus altijd met verlangen verwachten van onze God en Heer: dat is altijd bidden. Maar op andere uren roepen wij onze geest weg van de andere zorgen en bezigheden waardoor dit verlangen in zekere zin lauw wordt, terug naar inkeer, naar de bezigheid van het gebed, en sporen wij ons door het mondgebed aan ons te richten op het object van ons verlangen. (7)

En in dezelfde geest zegt Calvijn: 'Aangezien onze zwakheid zo groot is, dat ze door vele hulpmiddelen ondersteund, en onze slapheid zodanig. dat ze door sporen moet worden aangezet, (is het toch) passend dat ieder onzer voor zich tot oefening bijzondere uren vaststelt, die niet zonder bidden voorbij gaan

Geregelde dagelijkse samenkomsten van de gemeente zijn slechts bij uitzondering denkbaar. Waar in veel kerken en gemeenten getijden worden gevierd, gebeurt dat doorgaans incidenteel, of met een tussenpoos van dagen, een week of zelfs weken. De liturgische vorm van het getijdengebed wordt gebruikt, maar er is geen sprake van dat deze gebedsdiensten onderdeel zijn van een onophoudelijke reeks gebeden die onze dagen en uren heiligen. Dat bevredigt niet. In deze Proeve verbinden wij daarom het openbare en het persoonlijke gebed, doordat orden voor morgen-, middag- en avondgebed ieder in twee vormen met eenzelfde structuur worden aangeboden: deze kunnen worden gebruikt als openbare eredienst, in kleinere kring en voor persoonlijk gebruik. Het dienstboek biedt zo een continuïteit voor het gebed in onze kerken.

Zoals in paragraaf 3 van deze notitie is uiteengezet biedt deze Proeve vier meer uitgebreide orden voor gebeden op bepaalde momenten van de dag aan, en vervolgens worden deze herhaald in een individuele variant. De eerste meer uitgebreide serie, is getoonzet. In de orde voor persoonlijk gebruik ontbreekt een muzieknotatie en zijn ook in de teksten wijzigingen aangebracht; responsies en antifonen verliezen immers hun betekenis wanneer maar een enkele stem aanwezig is. Zoals gezegd, is de structuur wel gehandhaafd. De tweede serie is dus gedacht als gesproken of zelfs in stilte gebeden liturgie.

Vanzelfsprekend zijn deze vormen niet bedoeld als keurslijven. Onze suggesties bedoelen op geen enkele dwingende voorschriften te zijn. Dat geldt ook voor de hier aangeboden toonzetting die er slechts één is onder, hopelijk straks, zeer vele.

Voor de keuze van het aantal gebedsmomenten per dag is aansluiting gezocht bij de traditie van de vroege kerk, die door bijvoorbeeld de Anglicaanse kerk werd overgenomen en in ons land in verschillende liturgische geschriften te vinden is. Wij noemen het Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk (in ontwerp): de Orden van dienst voor de Gereformeerde Kerken in Nederland; de Katern bij het Lied voor de Kerken ten gebruike in de eredienst (in de Lutherse kerk) en het Dienstboek van de Evangelisch-Lutherse kerk in het Koninkrijk der Nederlanden; de Liturgische Handreiking en Onze Hulp. In de lijn van deze traditie staan morgen- en avond-gebed. Daarnaast is er een orde voor een middaggebed. Voor deze drie gebeden is een rooster voor de psalmen opgenomen. waarin het Psalter in zeven weken wordt gebeden.

Deze drie getijden corresponderen met het natuurlijke ritme van dag en nacht. Morgen- en avondgebed word gebeden bij het rijzen en dalen van de dag, het middaggebed als de zon gerezen is. De zon geldt in de christelijke traditie vanouds als symbool van Christus. Met deze uren zijn vele psalmen vast verbonden. Ook corresponderen deze met het levensritme van de mens: opstaan en slapen gaan, ontbijt, middageten en avondmaaltijd.

Daarnaast is een orde voor de 'completen', de dagsluiting opgenomen. Daarin is verwoord hoe weerloos de mens is prijsgegeven aan de machten van de nacht en hoe de Allerhoogste zijn schaduw biedt om in te overnachten (Ps. 4 en 91 en 1 Petr. 5,8.9 hebben in de loop der eeuwen hun plaats gekregen in dit gebedsuur).

Voor persoonlijk gebruik namen wij - zoals gezegd -, ook een nachtgebed op.

De reeks orden wordt besloten met een gebed ter opening en sluiting van een bijeenkomst.

7. De rubrieken in de orden

Wij kozen een orde voor het getijdengebed die nauw aansluit bij nagenoeg de gehele westerse traditie. Die orde is eenvoudig en contemplatief. Alleen al daarom is de getijdendienst niet bedoeld voor grote groepen. Wezenlijk is het bidden van de psalmen. Zij geven als het ware de richting aan en zetten de toon voor de andere gebeden die gezegd of gezongen worden.

De structuur voor de orden is als volgt:

stilte

openingstekst met lofprijzing

[schuldbelijdenis - alleen in de completen] hymne/lied

psalmgebed

korte inleiding op de lezing

schriftlezing

moment van inkeer en verstilling canticum (Bijbelse lofzang)

gebeden

(de gecursiveerde rubrieken zijn als facultatief bedoeld)

a. De opening: psalmvers, 'Gloria Patri' en halleluja

De openingsverzen zijn van oudsher uit de psalmen genomen. Psalm 51,17: 'Heer, open mijn lippen / en mijn mond

verkondigt uw lof. En Psalm 70,2: 'Haast U, o Heer, tot hulp / en wees tot mijn redding gereed'.

Zoals verderop in het getijdengebed de psalmen telkens worden besloten met het zogenaamde Gloria Patri ('Eer aan de Vader...') wordt ook het ene psalmvers dat de gebedsdienst opent met een Gloria Patri - dikwijls 'klein-gloria' genoemd - afgesloten.

Wij danken het aan Christus dat wij de psalmen kunnen meezeggen met Israël. Wie het trinitarische Gloria Patri na een psalm (of na een oudtestamentisch canticum, zie onder) aanheft, geeft daarmee aan die psalm in de eerste plaats met het oog op Christus en als gebed van Hem te zeggen. Daarbij gaat men er dus van uit dat alle nood en vreugde van deze wereld door het leven, lijden, sterven en opstaan van Christus zijn omvat en begrepen.

De vraag is wel gesteld of het aanheffen van het Gloria Patri na de psalmen een ongeoorloofde toe-eigening is van de liederen van Israël.

De reden waarom het Gloria Patri de psalmen is gaan afsluiten, is vermoedelijk tweeledig. Ten eerste kon de gemeente dit telkens terugkerende vers meezingen met de voorganger of het koor. Cassianus betuigt ons dat dit omstreeks 420 in Gallië ook gebeurde. Ten tweede werd de formulering waarin Vader, Zoon en heilige Geest van eeuwigheid tot eeuwigheid nevengeschikt en dus even belangrijk

zijn, uitgesproken tégen de Arianen, die de Christus loochenden. Er zijn evenwel ook formuleringen van vóór-Ariaanse lofprijzingen als besluit van de psalmen. Deze formuleringen benadrukken minder Gods verheven majesteit en leggen het accent erop dat Christus Eén van ons is: Ere zij de Vader door Christus in de heilige Geest' of '...onze Jezus Christus, door wie en met wie U de eer zij, met de heilige Geest'. Een derde formulering, waaraan de ons welbekende vorm van het Gloria Patri ontleend is, 'Want Gij zijt een goede en barmhartige God, en aan U gen wij eer, aan de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en altijd en in alle eeuwigheid'. Cassianus en Benedictus stellen het Gloria Patri aan het einde van de psalmen verplicht.

Het luistert nauw in zaken die de verhouding tussen de beide testamenten en dus tussen Israël en de kerk tot houd hebben. De gedachte dat de kerk op de plaats van Israël komt, verwerpen wij ten stelligste. Ook weten we maar

al te goed dat het Arianisme niet is overwonnen. In deze Proeve wordt het Gloria Patri ter afsluiting van psalmen en oudtestamentische cantica voor een goede mogelijkheid gehouden, maar niet voor noodzakelijk. Verschillende alternatieve lofprijzingen worden aangeboden. Een ieder beslisse naar eigen inzicht en naargelang de omstandigheden vereisen. Wel moet worden opgemerkt dat een strofisch gezongen psalm om muzikale redenen geen Gloria Patri verdraagt. Men zinge het alleen na een onberijmd gezongen psalm en tezamen met de antifoon.

In de vertaling van het Gloria Patri lijkt het woord eeuwigheid' voor moderne oren moeilijk te verstaan. Het is niet onwaarschijnlijk dat dogmatische speculaties over de oneindigheid, eeuwigheid en alomtegenwoordigheid van God daar oorzaak van zijn. De bijbel bedoelt het woord eeuwigheid in formules zoals aan het slot van het Gloria Patri niet in die filosofische zin, maar wil er de Heer mee prijzen 'die is en die was en die komt'. De formulering 'in de eeuwen der eeuwen' moet dus lofprijzend en niet dogmatisch worden verstaan.

Het psalter is in de bijbel ingedeeld in vijf boeken (Ps. 2-41; 42-72; 73-89; 90-106; 107-150). Telkens aan het einde van een boek is een doxologie opgenomen (41,14; 72,19; 89,53; 106,48; 150). Hoewel er geen historisch verband lijkt te bestaan tussen deze doxologieën en de trinitarische lofprijzingen bij de psalmen, bieden zij wellicht ook een mogelijkheid om de psalmen mee te besluiten.

Behalve in de Veertigdagentijd, kan het Gloria Patri na de openingsverzen steeds worden gevolgd door een 'Halleluja'.

b. De hymnen

Paulus spreekt van 'psalmen, lofzangen en geestelijke liederen' (Kol. 3,16). Met de lofzangen zijn vermoedelijk nieuwe liederen bedoeld, zoals we die bij Paulus zelf (Fi1. 2,5-11) en in de Openbaring van Johannes vinden. Al in de nieuwtestamentische tijd worden dus christelijke gezangen geschreven. Ambrosius (339-397), bisschop van Milaan, neemt de praktijk van de oosterse Griekse kerk over voor de westerse Latijnse kerk, en geldt daar als de eerste hymendichter. In het Liedboek voor de Kerken zijn drie hymnen van hem of aan hem toegeschreven, opgenomen (Gez. 253, 370 en 382).

De hymnen zijn vooral in de kloosters gedicht en gezongen door de monniken tijdens de getijdendiensten. Blijkens hun hymnen waren zij steeds gefascineerd door de wisseling van dag en nacht en door de opeenvolging van zoenen, kortom door het natuurlijke ritme. Van der Meer schrijft: 'Zij waren veel onmiddellijker in den gang van de kosmos betrokken dan wij' die met ons kunstlicht den nacht veranderen in een kunstmatigen dag. Geheel hun leven werd beheerst en geregeld door de opeenvolging van lichten dag en schrikwekkend duisteren nacht; door het krimpen en lengen der dagen; door de zevendagencyclus van de week, die . onophoudelijk herinnerde aan het Zesdagenwerk en de Rust Gods, zoals die zijn beschreven in Genesis'.9 De natuurlijke symboliek wordt in de hymnen in verband gebracht met geestelijke leven. Datzelfde zien wij in de morgen- en avond-liederen van het Liedboek voor de Kerken (de gezangen t/m 395). Uiteindelijk zijn er in de christelijke traditie hymnen voor dag en nacht, morgen en avond, voor de verschillende dagen van de week, voor de kerkelijke feestdagen en tenslotte voor de heiligendagen.

De keuze van een hymne in de orden voor de dagelijkse gebedsdiensten, die wij hierbij aanbieden, zal in de regel bepaald worden door het uur van de dag, door de tijd van het jaar of door de gebeurtenis waarmee de gebedsdienst verbonden is. Vaste voorschriften zijn er in dezen niet.

c. De psalmen

De psalmen vormen het hart van de getijden. Voor mens van onze tijd is het allerminst vanzelfsprekend ze te bidden. Wij kunnen die psalmen immers dikwijls nauwelijks meevoelen of zelfs meedenken. De psalmist zegt inderdaad dingen, die welbeschouwd niet gezegd kunnen worden, bijvoorbeeld in de zogenaamde wraak- of vloekpsalmen. Zoals gezegd heeft Jezus de psalmen voor zijn rekening willen nemen, als wij ze vervolgens in de mond nemen is het met het oog op Hem en als gebed van Hem. De nood van de wereld is Hem omvat en begrepen. Zo identificeren we ons biddenderwijze met die mensen die zó aan het eind zijn. dat ze zulke ondenkbare en verschrikkelijke dingen zeggen. Juist ook die mensen zullen niet alleen zijn! De psalmenbiddende gemeente stemt in met en geeft stem aan mensen die op onnavoelbare wijze tot het uiterste worden geschoffeerd en gemarteld en die als slachtvee worden gedood. Daarom wagen wij het om vol te houden dat de psalmen het hart van de getijden vormen.

'Psalmen zijn bonte weefsels, zo kleurrijk als het leven zelf - ze zullen daarom moeilijk zijn onder te brengen in een systematische ordening. Voor de tijd van Benedictus volgden de psalmroosters dan ook meestal eenvoudigweg de volgorde van hun nummering. Toch werd in vroegchristelijke en mogelijk zelfs al in voorchristelijke tijden een aantal psalmen verbonden aan een bepaalde dag of gebeurtenis. Morgengebed (hier genomen als verzamelnaam voor metten, landen en soms ook nocturnen) en vespers hebben ieder hun eigen psalmen.

Het morgengebed heeft psalm 63 als kern - een gewoonte die uit synagogale traditie is overgenomen. Aan het eind van de vierde eeuw vormen de psalmen 148-150 een vast onderdeel van het morgengebed. In het westen wordt op veel plaatsen psalm 63 vervangen door psalm 51 en verschijnt psalm 95 als de openingspsalm van het morgengebed (zo bij Benedictus). De vesper heeft psalm 141 als kern. Benedictus schrijft als eerste expliciet over de completen en noemt daarbij de psalmen 4 en 91. In Antiochië leest men hij het hanengekraai psalm 134, een gewoonte die tot op heden in sommige orthodoxe kerken wordt gevolgd (Servisch, Maronitisch en Koptisch). In andere tradities komt psalm 134 juist in de completen terecht. Als andere morgenpsalmen worden in de eerste zeven of acht eeuwen van het christendom genoemd 141,143 (Eusebius); 5,90 (Ordo Monasterii); 119, 147-148 (Cassianus). Als andere avond-psalmen 143, 113 (Eusebius); 104 (in plaats van 141 hij Caesarius van Arles); 142; 130; 117 (Byzantium, 8e eeuw). Minder duidelijk zijn psalmen voor de kleine uren en voor de vigilies.

Psalmroosters zijn er in overvloed. Hun 'omlooptijd' wisselt: wekelijks (Brevier), dertig dagen (Book of Comrnon Prayer), vier weken (het rooms-katholieke Getijdenboek). vijf tot zes weken (Taizé), zeven weken (Nikola Communiteit), tien weken (Alternative Service Book). Deze roosters volgen geheel of voornamelijk de volgorde op nummer. Vrijwel alle hebben ten dele psalmen die passen bij een bepaald uur of een bepaalde dag, en maken voorts uitzonderingen voor feesten en dergelijke. De aansluiting bij het liturgisch jaar overigens formeel. Zo begint het Getijdenboek met week 1

Advent 1, de eerste zondag van de Veertigdagentijd, Pasen 1, de eerste zondag door het jaar, etcetera. In deze Proeve bieden wij een psalmrooster aan van zeven weken, waardoor maar tweemaal per jaar met een sprong opnieuw begonnen hoeft

te worden. De paastijd correspondeert dan met een volledig gezongen psalterium. In zekere zin is dat willekeur. Het voornaamste bij alle roosters is het doorgaande bidden van de psalmen, ongeacht het liturgisch jaar.

De antifonen spelen vanouds een belangrijke rol bij de psalmen, evenals bij de cantica (zie onder). In het hedendaagse taalgebruik is de antifoon een vers, gezongen en gebeden voor en na een psalm, na ieder vers of na een

aantal verzen, en dat de toon zet. Dit laatste in dubbele zin: muzikaal, maar ook inhoudelijk. De antifoon geeft aan hoe psalm of gezang gehoord moet worden en is dus interpretatie van het lied. Idealiter wordt de psalm door een dubbelkoor gezongen: men zingt elkaar als het ware toe. Dit is antifonaal zingen, en het woord antifoon moet dus letterlijk genomen worden: tegenstem, tegenzang, tegenlied.

De antifonale zangwijze kwam al in de tweede eeuw te Antiochië in zwang, en verbreidde zich via Syrië over Byzantium naar Milaan en het westen. In Milaan raakte Augustinus in 386 diep onder de indruk van deze zangwijze, die daar een jaar eerder was ingevoerd terwijl het volk met Ambrosius in de kerk waakte onder Ariaanse vervolgingen. (10) Vermoedelijk zongen de geestelijken in twee koren verdeeld de psalm en zong het volk na ieder psalmvers een keervers. Dit vers werd nu de antilfoon genoemd. De frequentie waarmee het keervers werd gezongen, werd allengs minder en uiteindelijk klonk het nog slechts aan het begin en einde van de psalm.

Ook de antifoon wordt op den duur door het koor gezongen. Het is voorgekomen dat de antifoon de psalm ging verdringen. Soms werd de antifoon een min of meer zelfstandig muziekstuk dat de psalm zelf terugdrong tot één vers of zelfs geheel verdrong, soms wisselden verschillende antifonen de psalm af.

Zoals gezegd zet de antifoon de toon. Uit alle gedachten en stemmingen van een psalm krijgt er één de voorkeur gaat functioneren als de sleutel tot de psalm.

De psalm kan dus door de antifoon een geheel andere kleur krijgen. Psalm 130 kan bijvoorbeeld aangeheven worden in de dienst voor de gestorvenen, maar ook in de vespers van het kerstfeest, als de antifoon luidt: 'Want bij de Heer is ontferming en overvloed van verlossing'.

Naast deze 'sleutelfunctie' van de antifoon is er ook nog een omlijstende antifoon met een louter versierende functie. Daarin wordt bijvoorbeeld de gedachte van een bepaalde zondag of feestdag gememoreerd.

In Het dagelijks gebed: getijden en huisdiensten worden per psalm telkens twee aan de psalm ontleende kernverzen als antifonen gesuggereerd. Het is zeker niet onze bedoeling die twee als enige mogelijkheid te zien. Antifonen behorend bij de tijd van het liturgisch jaar hebben wij bij de psalmen niet opgenomen. Deze hebben in de orden voor getijden en huisdiensten hun plaats gekregen bij de cantica.

Voor wat betreft het zingen van het Gloria Patri na de psalmen zie men onder 7a.

d.De schriftlezing

Juist in de getijdendiensten in de kloosters is de hele Schrift gelezen, ook het Oude Testament. Wanneer wij in onze dagen getijdendiensten vieren, zal dat vaak incidenteel zijn, bijvoorbeeld op bijzondere dagen of bij bijzondere gebeurtenissen. Het ligt voor de hand dan een passende schriftlezing te zoeken. Gemeentevieringen naast de zondagmorgendienst hebben dikwijls het karakter van een getijdendienst. Ook die zijn in zekere zin incidenteel, bijvoorbeeld op een dag in de week of in het jaar. Voor wat betreft de lezing van de Schrift in zulke diensten kan aansluiting worden gezocht bij het zondagsrooster, terwijl ook een thematische lezing niet is uitgesloten. Viert men bijvoorbeeld op zondagavond de vespers, dan is het een goede mogelijkheid om de brieflezing van die zondag als die in de morgendienst niet heeft geklonken - te kiezen. En waarom zou men bij bijvoorbeeld zes vespers in de Veertigdagentijd niet kiezen voor een aantal thema's dat verbonden is met die karakteristieke tijd van het jaar?

Voor wie driemaal daags de getijden wil bidden, hebben wij het leesrooster van de Oud-Kathoheke Kerk in ons land mogen overnemen in deze Proeve. Daarin wordt nagenoeg de hele Schrift bestreken. Bij de keuze van juist dit rooster speelde een praktisch motief een grote rol. Het noteert namelijk lezingen voor drie gebedsmomenten per dag, terwijl vele roosters met slechts twee of juist veel meer gebedsuren rekening houden. Zoals bekend rekent de lutherse kerk, net als de rooms-katholieke en oud-katholieke kerken, ook de zogenoemde apocriefe boeken tot de heilige Schrift. Het rooster kwam ook wat dat betreft daarom tegemoet aan behoeften die in onze gezamenlijke kerken leven.

e. Stilte en meditatie

'Zolang er nog ergens iemand bestaat

met wie ik als mens kan spreken

vind ik ook wel eens de stilte

midden op straat

een stilte die niemand kan breken.

Een kostbare stilte van zuiver glas

dat ik zelf

met mijn stem heb geslepen.

Als ik er niet was

had niemand die stilte begrepen.

Maar als Hij er niet was

en Zijn stem was er niet

dan was er van stilte geen sprake.

Alleen maar van zwijgen,

zo hard als graniet

en dat kan je doodeenzaam maken.

Maar de stilte,

dit is een tweestemmig lied,

waarin God en de mens elkaar raken.'

(Guillaume van der Graft)

Stilte is een wezenlijk onderdeel van het dagelijkse Gebed is het zoeken van Gods aanwezigheid, en stil worden. Onze eigen woorden zwijgen om ruimte te maken voor het spreken van de ander. Jezus zocht de stilte om Gods verborgen omgang te vinden. Hij roept zijn leerlingen op om die stilte welbewust te creëren (Mat.6,6).

De stap van zwijgen naar stil worden, verstillen kan heel groot zijn. Het vergt oefening om in de uiterlijke stilte ook innerlijk stil te worden. Stilte kan bedreigend en oeverloos zijn. Dan is het goed om met bepaalde meditatietechnieken de aandacht te richten. Dergelijke technieken hoeven niet van ver te komen: onze eigen traditie biedt een schat aan mogelijkheden. In een apart hoofdstuk in deze Proeve doen wij daarvoor een aantal suggesties.

Eerder al schreven wij dat het gebed een innerlijke zaak is en dat het alles bloot legt van onszelf. Dit zal eens te meer blijken in de stilte. Zeker daar komen we onszelf tegen in onze verwarring en onrust. Pijn en verdriet komen, vaak merkbaar, naar boven. Waar stilte met anderen samen wordt beleefd, kan zij een groot gevoel van verbondenheid geven, omdat de moeite en de pijn van ëën in de stille voor-bede van de groep is opgenomen.

f De cantica

Cantica zijn niet aan het psalter maar wel aan de Schrift ontleende lofliederen. Al rond 400 zijn in verschillende kerken cantica-series in gebruik, die onderling weliswaar enigszins verschillen, maar vermoedelijk alle op een niet lang tevoren in het oosten opgestelde lijst teruggaan. De westerse kerk neemt ze over. Zij hebben hun plaats gekregen in de getijden. Een deel van de cantica komt uit de apocriefe boeken. Cantica zijn (in willekeurige volgorde): Dan. 3,52-88 (het lied van de drie mannen in de vurige oven); 1 Kron. 29,10-13 (een loflied v-10 (de lofzang van Hanna); Jer. 31,10-14; Ex. 15,1-19 (het lied van an David); Jes. 12,1-6; Tobias 13,1-10; Jes. 38,10-20; Juditli 16,15-21; 1 Sam. 2,1 Mozes); Jes. 45,15-26; Hab. 3,2-19; Eccl. 36,1-16; Deut. 32,1-43 (het lied van Mozes).

Aan het evangelie van Lucas werden drie cantica ontleend, die we nog altijd aanduiden met hun Latijnse aanvangswoorden: Benedictus (gezegend) of lofzang van Zacharias (Luc. 1,68-79); Magnificat (mijn ziel maakt groot) of lofzang van Maria (Luc. 1,46-55) en Nunc dimittis (nu laat Gij gaan) of lofzang van Simeon (Luc. 1,29-32). In de getijdenliturgie van de kloosters werden ze aangeheven ter afsluiting van respectievelijk lauden (vanwege 1,78 - de opgang uit de hoogte?), vespers (als avondlof vanwege Gods barrnhartigheid?) en completen (vanwege het gezien hebben van het heil?). De reformatoren namen deze drie lucaanse cantica over en in ons land bepaalt de Nationale Synode van Dordrecht in 1618: 'In de kercken zullen alleen de 150 Psalmen Davidis, de thyen Geboden, het Vader onser, de twaaelff articulen des ghelooffs. de loffsangen Mariae, Zachariae ende Simonis gesonghen worden'. We treffen berijmingen van de liederen dan ook aan bij de 'enige gezangen' die voorheen in de liedboeken stonden voorafgaand aan rijmpsalter of de gezangen. en in het Liedboek voor de Kerken (gezangen 67, 66 en 68).

De antifonen bij het Benedictus en Magnificat hebben een eigen betekenis. Ze lichten de eigen betekenis van een dag of feest eruit. Op zondagen zijn ze doorgaans aan het evangelie ontleend. Liturgisch vormen ze niet zelden een hoogtepunt van de dag. In deze Proeve verwijzen de antifonen bij de cantica naar de tijd van het liturgisch jaar. Een ruime keuze werd opgenomen.

Het is in de lijn der traditie als wij voor het morgen-gebed de lofzang van Zacharias suggereren en voor het avond- en nachtgebed de lofzangen van Maria en Simeon. Wij achten het evenwel ook heel goed mogelijk om een van de andere cantica te zingen.

g. De gebeden

De orden die wij in deze Proeve aanbieden, geven vorm aan het dagelijks gebed. In hun geheel zijn zij gebed. Zij zijn de vorm waarin het biddende leven van de gemeente mede gestalte krijgt. De aan de psalmen ontleende openingsverzen en de psalmen worden biddend gelezen en gezongen. Wanneer na de opening de hymne, het psalmengebed, de schriftlezing, de meditatie en het canticum ten slotte de rubriek 'gebeden' volgt, is dat niet anders dan een toespitsing van wat eerder al aan de orde was. De toespitsing bestaat met name in de actualiteit van de gebeden die nu worden aangeheven. De nood van het moment wordt verwoord in de voorbede. Deze kan ook, bijvoorbeeld in de vorm van een litanie, zingenderwijs worden gebeden. Het gebed van de dag bepaalt ons bij de dag van de week, en het morgen- en avondgebed bij het uur van de dag. Het Onze Vader, altijd gelijkblijvende gebed van de gemeente dat de haar zelf heeft geleerd, is een vast onderdeel in deze rubriek. Dit geldt ook van de zegenbede.

h. Het lucernarium of de lichtzegen

Al in de vierde eeuw is er sprake van een lofprijzing van het licht in de avonddiensten, als de lamp is aangestoken en wordt binnengebracht. Daarbij wordt een hymne gezongen, vermoedelijk het zogenoemde 'Phoos hilaron'. Dit lied wordt in de oosterse kerk nog altijd gezongen, tezamen met de vesperpsalm 141. Egeria beschrijft, ook in de vierde eeuw, in haar reisverslag dat in Jeruzalem de avonddienst met een lichtrite begint. Op de achtergrond van dit gebruik staat het ontsteken van de sabbatslamp in het jodendom en misschien ook de lichtgroet uit de Helleense religie.

Veel omtrent het lucernarium blijft in het duister. De term functioneerde in de eerste plaats als tijdsaanduiding. In de zesde eeuw zien we dan ook dat lucernarium eenvoudigweg 'avondofficie' betekent. Ook de westerse kerk kent een lucernarium. We treffen het bijvoorbeeld aan in Milaan en in Spanje. De vespers beginnen met een antifoon, meteen nadat een luchter of twee brandende kaarsen op het altaar

zijn gezet. Daarmee is een aantal psalmverzen verbonden: in ieder geval 141,1 en voorts 4,7; 18,29; 36,10; 97,11; 112,4; en voorts 119,105; 132,17.

Op veel plaatsen worden aan het begin van de vesper kaarsen aangestoken. Wij hebben daarom een eenvoudige vorm van het lucernarium opgenomen als mogelijke opening van de vespers wanneer die later op de avond of althans bij het vallen van de duisternis worden gevierd. De lichtzegen fungeert als lofprijzing op het licht van de zojuist aangestoken kaarsen, dat symbool is voor de verrezen Heer. De lof van het licht' in de paasnacht heeft in deze rite zijn wortels.

In alle liturgieën keert psalm 141 terug, waarin sprake is van het gebed dat als een avondoffer, zoals wierook, ten hemel stijgt. Het valt te overwegen hier ook werkelijk wierook te branden.

i. Schuldbelijdenis en vergeving in de completen

De completen, die de dag voltooien, zijn een voorbereiding op de nacht. Zij worden gekenmerkt door de gedachte van overgave. Zo klinkt uit psalm 31 het woord dat de Heer aan het kruis spreekt: 'In uw handen beveel ik mijn geest'. De overgave aan de slaap en aan de nacht is het symbool voor de overgave aan het einde van ons leven. De overgave aan de Heer mag vol vertrouwen gebeuren, maar bestaat niet zonder de erkenning van eigen tekort. Vanouds kennen de completen dan ook een schuldbelijdenis als aanvang.

(7) Augustinus, De brief aan Proba over het gebed, IX, 18.

(8) J. Calvijn. Institutie lll.xx,50, velt. A. Sizoo, Delft z.j.

(9) F. van der Meer, Lofzangen der Latijnse Kerk, UtrechtIAntwerpen 1970, 15.

(10) Augustinus, Confessiones, IX.vii,15.

2.5.4. Het getijdengebed in de Nederlandse en Vlaamse katholieke kerkprovincie.

Uit: Directorium van de Nederlandse kerkprovincie in het jaar 2001. Zeist 2000.p.56vv

Uit: Algemene inleiding op het getijdengebed.1990.

Uit: Constitutie over de Liturgie (Vaticanum II), hoofdstuk IV.

Uit: Apostolische Constitutie Laudis Canticum van paus Paulus VI, 1 nov.1970. (zie ook alg.inleiding v.h.Getijdenboek: "nu het gebed van de heilige kerk".

Uit: J.Bluijssen, Het vernieuwde getijdengebed (NRL 1990) p.23-26. gericht op de nederlandse situatie.

(in een volgende editie)


"En wanneer je bidt, wees dan niet als de schijnheiligen; zij staan graag in de synagogen en op de hoeken van de straten te bidden, om op te vallen bij de mensen. Ik verzeker je, ze hebben hun loon al. Maar als je bidt ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader die in het verborgene is; en je Vader die in het verborgene ziet zal het je lonen." Matteüs 6, 5-6